-
Leia por capítulosComentário sobre a Leitura Bíblica de Hoje
-
Dutch Staten Vertaling -
-
11
|Ezequiel 8:11|
En zeventig mannen uit de oudsten van het huis Israels, met Jaazanja, den zoon van Safan, staande in het midden van hen, stonden voor hun aangezichten; en een ieder had zijn rookvat in zijn hand, en een overvloedige wolk des reukwerks ging op.
-
12
|Ezequiel 8:12|
Toen zeide Hij tot mij: Hebt gij gezien, mensenkind, wat de oudsten van het huis Israels doen in de duisternis, een ieder in zijn gebeelde binnenkameren? want zij zeggen: De HEERE ziet ons niet, de HEERE heeft het land verlaten.
-
13
|Ezequiel 8:13|
En Hij zeide tot mij: Gij zult nog wederom grote gruwelen zien, die zij doen.
-
14
|Ezequiel 8:14|
En Hij bracht mij tot de deur der poort van het huis des HEEREN, die naar het noorden is, en ziet, daar zaten vrouwen, bewenende den Thammuz.
-
15
|Ezequiel 8:15|
En Hij zeide tot mij: Hebt gij, mensenkind, dat gezien? Gij zult nog wederom grotere gruwelen zien dan deze.
-
16
|Ezequiel 8:16|
En Hij bracht mij tot het binnenste voorhof van het huis des HEEREN; en ziet, aan de deur van den tempel des HEEREN, tussen het voorhuis en tussen het altaar, waren omtrent vijf en twintig mannen; hun achterste leden waren naar den tempel des HEEREN, en hun aangezichten naar het oosten, en deze bogen zich neder naar het oosten voor de zon.
-
17
|Ezequiel 8:17|
Toen zeide Hij tot mij: Hebt gij, mensenkind, dat gezien? Is er iets lichter geacht bij het huis van Juda, dan deze gruwelen te doen, die zij hier doen? Als zij het land met geweld vervuld hebben, zo keren zij zich, om Mij te vertoornen; want zie, zij steken de wijnranken aan hun neus.
-
18
|Ezequiel 8:18|
Daarom zal Ik ook handelen in grimmigheid, Mijn oog zal niet verschonen, en Ik zal niet sparen; hoewel zij voor Mijn oren met luider stem roepen, nochtans zal Ik hen niet horen.
-
1
|Ezequiel 9:1|
Daarna riep Hij voor mijn oren met luider stem, zeggende: Doet de opzieners der stad naderen, en elkeen met zijn verdervend wapen in zijn hand.
-
2
|Ezequiel 9:2|
En ziet, zes mannen kwamen van den weg der Hoge poort, die gekeerd is naar het noorden, en elkeen met zijn verpletterend wapen in zijn hand; en een man in het midden van hen was met linnen bekleed, en een schrijvers-inktkoker was aan zijn lenden; en zij kwamen in, en stonden bij het koperen altaar.
-
-
Sugestões

Clique para ler Gálatas 1-3
29 de novembro LAB 699
FIDELIDADE AUTENTICADA
2Coríntios 11-13
Na fidelidade, o fingimento não é necessário. Na infidelidade, o fingimento é indispensável. Quanto mais o leitor aproxima-se do fim de 2Coríntios, mais pode perceber o quanto Paulo estava preocupado com aquela gente. O apóstolo queria que os corintos fossem fiéis a Deus. E ele sabia que a falsidade rondava às portas, para ser facilmente discipulada. Aquele grande pastor tinha consciência do perigo que um cristão corre de ser um crente fingido que acomoda sua infidelidade dentro de uma capa de hipocrisia.
Não há como não haver formas no cristianismo. Mas quando o que tem formato passa a ser exageradamente valorizado, torna-se num formalismo doentio, onde a formalidade externa esconde o oco interno. Isto pode ser muito bem ilustrado pela letra da música de Ednaldo do Rio:
“Certo irmao foi convidado pra pregar em uma igreja / Mas quando la chegou houve logo uma peleja / O pastor dizia a ele voce nao prega aqui / Nem tampouco nesse púlpito voce poderá subir / O irmao disse ao pastor o que esta acontecendo / Qual e o meu pecado o Senhor tem que me dizer / O pastor dizia a ele nao se trata de pecado / Voce e um homem santo da qualidade de Jó / O unico motivo de voce nao pregar e somente porque voce esta sem paletó.
“Depois de uma conversa chegaram num acordo / Acertaram com o irmao de pregar em outra semana / O irmao ficou zangado e um pouco enfurecido / Mas atraves de conselho ele ficou convencido
“O irmao era pobrezinho e estava desempregado / So tinha uma roupa e um sapato furado / Foi na casa de outro irmao arrumou terno emprestado / Arrumou uma gravata e ficou todo alinhado / Passou o dia orando ficou cheio de poder / Na hora da pregacao ele comecou a dizer / Fala paletó, paleto nao fala nada / Paleto nao faz jejum, paleto nao le a biblia nem ora de madrugada / So eu que saio pelas ruas pregando literatura / Pregando de casa em casa, ensinando as escrituras / Nunca falto um dia so, agora fala paletó.”
Apesar de um tanto cômica, esta canção espelha a situação pela qual você e eu, por vezes, podemos passar. E na falsidade evangélica, somos tentados a pensar e agir assim: “Pode ser que eu não consiga ler a Bíblia, pode ser que eu não consiga fazer o culto, nem mesmo orar, mas se eu me vestir descentemente, espalhar sorrisos e disser alguns améns, estarei redimido na comunidade dos crentes”.
“Procurem aperfeiçoar-se, exortem-se mutuamente, tenham um só pensamento (2Coríntios 13:11)”, sendo sempre fiéis.
Valdeci Júnior
Fátima Silva