-
-
Dutch Staten Vertaling -
-
6
|Ester 3:6|
Doch hij verachtte in zijn ogen, dat hij aan Mordechai alleen de hand zou slaan (want men had hem het volk van Mordechai aangewezen); maar Haman zocht al de Joden, die in het ganse koninkrijk van Ahasveros waren, namelijk het volk van Mordechai, te verdelgen.
-
7
|Ester 3:7|
In de eerste maand (deze is de maand Nisan) in het twaalfde jaar van den koning Ahasveros, wierp men het Pur, dat is, het lot, voor Hamans aangezicht, van dag tot dag, en van maand tot maand, tot de twaalfde maand toe; deze is de maand Adar.
-
8
|Ester 3:8|
Want Haman had tot den koning Ahasveros gezegd: Er is een volk, verstrooid en verdeeld onder de volken in al de landschappen uws koninkrijks; en hun wetten zijn verscheiden van de wetten aller volken; ook doen zij des konings wetten niet; daarom is het den koning niet oorbaar hen te laten blijven.
-
9
|Ester 3:9|
Indien het den koning goeddunkt, laat er geschreven worden, dat men hen verdoe; zo zal ik tien duizend talenten zilvers opwegen in de handen dergenen, die het werk doen, om in des konings schatten te brengen.
-
10
|Ester 3:10|
Toen trok de koning zijn ring van zijn hand, en hij gaf hem aan Haman, den zoon van Hammedatha, den Agagiet, der Joden tegenpartijder.
-
11
|Ester 3:11|
En de koning zeide tot Haman: Dat zilver zij u geschonken, ook dat volk, om daarmede te doen, naar dat het goed is in uw ogen.
-
12
|Ester 3:12|
Toen werden de schrijvers des konings geroepen, in de eerste maand, op den dertienden dag derzelve, en er werd geschreven naar alles, wat Haman beval, aan de stadhouders des konings, en aan de landvoogden, die over elk landschap waren, en aan de vorsten van elk volk, elk landschap naar zijn schrift, en elk volk naar zijn spraak; er werd geschreven in den naam van den koning Ahasveros, en het werd met des konings ring verzegeld.
-
13
|Ester 3:13|
De brieven nu werden gezonden door de hand der lopers tot al de landschappen des konings, dat men zou verdelgen, doden en verdoen al de Joden, van den jonge tot den oude toe, de kleine kinderen en de vrouwen, op een dag, op den dertienden der twaalfde maand (deze is de maand Adar), en dat men hun buit zou roven.
-
14
|Ester 3:14|
De inhoud van het schrift was, dat er een wet zou gegeven worden in alle landschappen, openbaar aan alle volken, dat zij tegen denzelfden dag zouden gereed zijn.
-
15
|Ester 3:15|
De lopers gingen uit, voortgedrongen zijnde door het woord des konings, en de wet werd uitgegeven in den burg Susan. En de koning en Haman zaten en dronken, doch de stad Susan was verward.
-
-
Sugestões

Clique para ler 1 Samuel 14-16
27 de março LAB 452
ESPÍRITO IMUNDO DA PARTE DE DEUS
1Samuel 14-16
O trecho bíblico proposto para hoje é uma boa leitura não só por se tratar de um texto de entendimento simples, mas, também, porque dessa leitura é fácil percebermos boas lições espirituais.
Como exceção, encontramos dois versículos difíceis de ser entendidos: “Então, os servos de Saul lhe disseram: Eis que, agora, um espírito maligno, enviado de Deus, te atormenta... E sucedia que, quando o espírito maligno, da parte de Deus, vinha sobre Saul, Davi tomava a harpa e a dedilhava; então, Saul sentia alívio e se achava melhor, e o espírito maligno se retirava dele” (16:15 e 23 - RA).
Para explicá-los, apresento abaixo uma pequena resenha de Leandro Quadros, usando a versão bíblica Revista e Almeida.
No pensamento hebraico, Deus é apresentado com sendo o autor de tudo aquilo que Ele permite que aconteça. Sua soberania é muito exaltada. Vejamos um exemplo. 1Crônicas 10:14 afirma que foi Deus quem matou Saul. Já no verso 4, a palavra de Deus relata que foi Saul quem se matou. Nosso Deus não tinha nada a ver com isso. Simplesmente esse é um modo hebraico de dizer que Deus permitiu que Saul morresse, pois foi isso que aquele rei de Israel escolheu.
A Bíblia apresenta uma grande quantidade de figuras de linguagem, expressões, etc. A expressão de Samuel quer dizer que Deus “permitiu” que o espírito atormentasse a Saul por causa da grande maldade e rebeldia dele.
Note que no verso diz que foram os “servos de Saul” que disseram isso e não Deus. Eles apenas “suporam” que tivesse sido Deus, devido às influências que a cultura hebraica (soberania de Deus em todos os acontecimentos) exercia sobre a mente deles.
Deus é amor (1João 4:8) e jamais iria mandar um espírito imundo atormentar alguém. Ele é tão bondoso que não tem prazer na morte do mais perverso de todos; Ele quer que todos se convertam e vivam (Ezequiel 18:23 e 32; Lucas 6:35). Não existe a menor possibilidade de Deus fazer o mal: “Ninguém, ao ser tentado, diga: Sou tentado por Deus; porque Deus não pode ser tentado pelo mal e ele mesmo a ninguém tenta” (Tiago 1:13).
“Ora, a mensagem que, da parte dele, temos ouvido e vos anunciamos é esta: que Deus é luz, e não há nele treva nenhuma” (1João 1:5).
A certeza que temos é que quando rejeitamos Seu amor, quando rejeitamos Seu perdão, Ele terá que permitir que as consequências nos sobrevenham, pois nos dá a liberdade de escolha. Confiemos no Senhor, pois “Ele é bom e a sua misericórdia dura para sempre” (Salmo 100:5).
Que Deus lhe abençoe ricamente hoje.
Valdeci Júnior
Fátima Silva