-
-
Dutch Staten Vertaling -
-
26
|Neemias 9:26|
Maar zij zijn wederspannig geworden, en hebben tegen U gerebelleerd, en Uw wet achter hun rug geworpen, en Uw profeten gedood die tegen hen betuigden, om hen te doen wederkeren tot U; alzo hebben zij grote lasteren gedaan.
-
27
|Neemias 9:27|
Daarom hebt Gij hen gegeven in de hand hunner benauwers, die hen benauwd hebben; maar als zij in den tijd hunner benauwdheid tot U riepen, hebt Gij van den hemel gehoord, en hun naar Uw grote barmhartigheden verlossers gegeven, die hen uit de hand hunner benauwers verlosten.
-
28
|Neemias 9:28|
Maar als zij rust hadden, keerden zij weder om kwaad te doen voor Uw aangezicht; zo verliet Gij hen in de hand hunner vijanden, dat zij over hen heersten; als zij zich dan bekeerden, en U aanriepen, zo hebt Gij hen van den hemel gehoord, en hebt hen naar Uw barmhartigheden tot vele tijden uitgerukt.
-
29
|Neemias 9:29|
En Gij hebt tegen hen betuigd, om hen te doen wederkeren tot Uw wet; maar zij hebben trotselijk gehandeld, en niet gehoord naar Uw geboden, en tegen Uw rechten, tegen dezelve hebben zij gezondigd, door dewelke een mens, die ze doet, leven zal; en zij hebben hun schouder teruggetogen, en hun nek verhard, en niet gehoord.
-
30
|Neemias 9:30|
Doch Gij vertoogt het vele jaren over hen, en betuigdet tegen hen door Uw Geest, door den dient Uwer profeten, maar zij neigden het oor niet; daarom hebt Gij hen gegeven in de hand van de volken der landen.
-
31
|Neemias 9:31|
Doch door Uw grote barmhartigheden hebt Gij hen niet vernield, noch hen verlaten; want Gij zijt een genadig en barmhartig God.
-
32
|Neemias 9:32|
Nu dan, o onze God, Gij grote, Gij machtige, en Gij vreselijke God, Die het verbond en de weldadigheid houdt; laat voor Uw aangezicht niet gering zijn al de moeite, die ons getroffen heeft, onze koningen, onze vorsten, en onze priesteren; en onze profeten, en onze vaderen, en Uw ganse volk, van de dagen der koningen van Assur af tot op dezen dag.
-
33
|Neemias 9:33|
Doch Gij zijt rechtvaardig, in alles, wat ons overkomen is; want Gij hebt trouwelijk gehandeld, maar wij hebben goddelooslijk gehandeld.
-
34
|Neemias 9:34|
En onze koningen, onze vorsten, onze priesters en onze vaders hebben Uw wet niet gedaan; en zij hebben niet geluisterd naar Uw geboden, en naar Uw getuigenissen, die Gij tegen hen betuigdet.
-
35
|Neemias 9:35|
Want zij hebben U niet gediend in hun koninkrijk, en in Uw menigvuldig goed, dat Gij hun gaaft, en in dat wijde en dat vette land, dat Gij voor hun aangezicht gegeven hadt; en zij hebben zich niet bekeerd van hun boze werken.
-
-
Sugestões

Clique para ler Ezequiel 33-35
07 de setembro LAB 616
O SEU PASTOR PESSOAL
Ezequiel 33-35
Recebi uma mensagem, de um leitor, com um pedido: “Gostaria de ter uma explicação sobre Ezequiel 34”. E creio que não somente ele, mas também cada um de nós, merece entender mais este capítulo da Bíblia. Inclusive você. Portanto, além de ler Ezequiel 33-35, medite aqui um pouco mais sobre a mensagem do capítulo 34.
Nessa mensagem profética, Ezequiel condena os líderes espirituais do povo que, em vez de apascentar o rebanho, cuidavam apenas de si mesmos: “Vestem-se de lã e abatem os melhores animais, mas não tomam conta do rebanho”. Estavam dominando o rebanho de forma cruel, em proveito próprio, em vez de trabalhar pro bem do rebanho.
Essa mensagem tem dupla ênfase. Em primeiro lugar, Deus diz: “Estou contra os pastores e os considerarei responsáveis pelo meu rebanho. Eu lhes tirarei a função de apascentá-lo para que os pastores não mais se alimentem a si mesmos (verso 10)”. Os pastores predadores serão removidos, e as ovelhas, salvas de seu pastoreio.
Depois o Senhor promete: “Eu mesmo buscarei as minhas ovelhas e delas cuidarei (verso 11)”. Esse compromisso pessoal será cumprido por Jesus, que referiu-se a si mesmo como o bom Pastor, em João 10, utilizando palavras que refletem as idéias principais de Ezequiel:
Eu mesmo tomarei conta das minhas ovelhas e as farei deitar-se e repousar. Palavra do Soberano, o Senhor. Procurarei as perdidas e trarei de volta as desviadas. Enfaixarei a que estiver ferida e fortalecerei a fraca, mas a rebelde e forte eu destruirei. Apascentarei o rebanho com justiça (versos 15 e 16).
Associada à vinda do Senhor para pastorear seu povo, está a promessa de levá-lo de volta à sua terra! O Pastor trará seu rebanho de volta das nações. Ele mesmo diz: “Eu as farei sair das outras nações e as reunirei, trazendo-as dos outros povos para a sua própria terra. E as apascentarei nos montes de Israel, nos vales e em todos os povoados do país (verso 13). Ali a “nação de Israel”, que “são o meu povo”, será abençoada para sempre (verso 30).
A experiência de ser pastor não é nada fácil. É o desgastar de uma vida vivida em naipe especial. Neste estilo, existem alegrias, mas também grandes pesos e responsabilidades. E pelo fato de que o pastor é também um humano, ele também sofre frustrações.
E é por isso que todos nós, seguidores ou líderes religiosos, somos dependentes exclusivos daquele é “o” pastor. Jesus é o bom pastor. Somente ele pode terminar a tarefa de ajudar-nos a nos encontrarmos. Ele quer ser o seu pastor pessoal. Entregue sua vida a Ele. E seja feliz.
Valdeci Júnior
Fátima Silva